Kroedwösj
Liturgie > Bijzondere vieringen
DE KROEDWÖSJ, een oeroud ritueel
Een van de oude tradities die in Bemelen (gelukkig) nog in ere wordt gehouden, is de zegening van de kroedwösj (kruidenbos) bij gelegenheid van het feest van Maria ten Hemelopneming.
De zegening van de kroedwösj is een bij uitstek rooms-katholieke traditie, die behalve in Limburg en aangrenzende katholieke streken in Nederland, België en Duitsland (het Rijnland) ook nog voortleeft in delen van Oostenrijk, Zwitserland, Polen en Tsjechië. Minder bekend is dat deze traditie wortelt in rituelen die al oeroud waren voor het feest van Maria-Hemelvaart op de jaarkalender verscheen.
De "Bieëmelse Kroedwösj”
De "Bieëmelse Kroedwösj” is een kruidenboeket, dat bestaat uit de volgende gewassen:
Twee helende kruiden: duizendblad en boerenwormkruid
Twee onheilafwerende kruiden: leverkruid en donderkruid
Twee voor het dagelijks brood: rogge en tarwe
Een boomvrucht: het walnotenblad (bescherming tegen onweer en vliegen).
Er bestaat van oudsher een sterke band tussen mensen en planten. Dat is niet zo verbazingwekkend, want bij planten zocht en vond de mens niet alleen voedsel, maar ook (zelfs tot op de dag van vandaag) genezing. Planten werden dan ook beschouwd als uitingen van de ‘aardmoeder’, de oerkracht van de aarde. Planten symboliseerden alle aspecten van het leven: geboorte, groei, sterven, en hadden dus ook invloed op al die aspecten. Het was dan ook gepast om de ‘aardmoeder’ daarvoor op gezette tijden te bedanken met een offergave. En welke tijd was daarvoor meer geschikt dan de oogsttijd, in de zomer, als de akkervruchten van het land kwamen?
Bij de oude Germanen kreeg het danken van de ‘aardmoeder’ vorm in een ritueel offerfeest ter ere van Freya, de godin van de natuur. Bij die gelegenheid werden – zeggen oude geschriften – negen kruiden en de eerste vruchten van het land (graan) in het vuur geworpen. De oude Grieken kenden gelijksoortige rituelen.
De katholieke kerk is altijd wat ambivalent geweest in het omgegaan met dit soort ‘heidense’ tradities’. Enerzijds past het niet direct in de leer van de kerk maar anderzijds past het wel in de spiritualiteit van de kerk waarin de relatie van de mens met de natuur een belangrijk aspect is. Aldus werd het offerfeest ‘gekerstend’: met een aantal aanpassingen ingevoegd in het geheel van geaccepteerde kerkelijke tradities. Daarbij nam Maria de rol van de oude ‘heidense’ godinnen over.
Het kruidenoffer bleef gehandhaafd. Daarbij hielp een in de loop van de middeleeuwen ontstane legende die vertelt hoe de apostelen bij een bezoek aan het graf van Maria daar niet haar lichaam aantroffen, maar een bos van bloemen en geurige kruiden. De voorloper van de kroedwösj.
Door de eeuwen heen trokken families in de dagen voor Maria-Tenhemelopneming de natuur in om bloemen en kruiden te verzamelen. Volgens oude voorschriften moesten de planten voor de kroedwösj geplukt worden op bij zonsopgang op de dag vóór Maria-Hemelvaart, zonder daarbij ijzer te gebruiken (geen schaar, maar met de hand), en mocht bij het samenstellen van de bossen niet gepraat worden.
Na de zegening in de kerk werd de kroedwösj mee naar huis genomen, en daar bij de voordeur gehangen, of in de veestal, of bij het bedje van een pasgeborene, om geesten en alle mogelijke onheil af te weren. Bij onweer werd de kruidenbos ook wel met wijwater besprenkeld, waarna het huis en de stallen ermee werden gezegend.
Een deel van de kroedwösj werd ook nog wel eens in het vuur gegooid, omdat de rook ervan het onweer weg zou houden. Een herinnering aan een vergelijkbaar ritueel waarmee onze verre Germaanse voorouders de dondergod Donar te vriend probeerden houden. Zoals gezegd: het ritueel is oeroud…

